Kenmerken van dit Coating System
Wat?
Corrosieklasse: C4 high durability (ISO 12944-2)
Interior gebruik.
De gecoate producten worden NIET blootgesteld aan UV-belasting.
De producten worden opgesteld in gebouwen met hoge luchtvervuiling en hoge vochtigheidsgraad.
Conservering
Minimum 1-laags poedercoating: topcoat
De objecten zijn vervaardigd uit discontinu thermisch verzinkt constructiestaal of plaatwerk
Voorbehandeling:
mechanisch (wapperen) en/of
chemisch (ontvetten, ijzerfosfateren, zinkfosfatatie, chromatatie of evenwaardig chroomvrij alternatief)
Typische toepassingen
Binnentoepassingen in:
Zwembaden
Chemische fabrieken
Scheepswerven
Coating
Op ontgassingsgevoelige substraten zoals gemetalliseerd staal of gegalvaniseerd staal gebruikt men ontgassingsvriendelijke coatings. De stukken kunnen eventueel ook vooraf ontgast worden tijdens het moffelen van de primer of voor het aanbrengen van de coating.
Met de porositeitsmeter kan de aarding van de werkstukken worden gecontroleerd voordat ze gelakt worden. Een goede aarding is onontbeerlijk voor een goed lakresultaat. Onvoldoende aarding zal zorgen voor onvoldoende laagdikte, spanningsvlekken en het moeilijk bereiken van bepaalde zones.
Metallic pigmenten op basis van aluminium worden beter niet ingezet voor toepassing in vochtig klimaat. De aluminiumpigmenten trekken gemakkelijk vocht aan en beginnen te oxideren. Het metallic effect zal dus verdwijnen na verloop van tijd.
Selectief gemalen poedercoating verhogen het rendement van de terugwinning aanzienlijk. Deze poeders hebben een gereduceerd aandeel kleine deeltjes. Deze poeders kunnen met filterkabines ook 100% op de stukken aangebracht worden , dus zonder verlies.
Meer informatie
Bij beschadiging van de coating zal er bij vochtbelasting een witte oxidatie te zien zijn. Dat zijn zinkoxides. Deze beschermen het zink en het staal door hun opofferende rol. Hoelang deze bescherming duurt hangt af van de hechting tussen de coating en de zink, de voorbehandeling, de corrosiviteitsklasse, de aggressiviteit van het milieu en de laagdikte van de zink en hoe frequent het oppervlak gespoeld wordt door regen of door het schoon te maken.
Metalliseren gebeurt door het spuiten van gesmolten zinkdruppeltjes op staal. Galvaniseren door het onderdompelen van de stukkjen in vloeibaar zink. Bijgevolg kunnen buizen aan de binnenzijde wel gegalvaniseerd worden maar niet gemetalliseerd. Anderzijds zal iets wat gegalvaniseerd wordt moeten kunnen gedompeld worden. Dus stukken die gegalvaniseerd worden, mogen geen afgesloten kamers bevatten en holtes hebben.
Hou er rekening mee dat de tussentijdse stockage tussen het lakken en het plaatsen van de stukken in sommige gevallen aggressiever is dan waar het coatingsysteem voor bedoeld is. Dat kan leiden tot vroegtijdige corrosie of kleur- en glansverlies.
Deze adviezen zijn opgesteld voor deze respectievelijke corrosiviteitsklasse of lager.
Voor dragende constructie in een corrosiviteitsklasse C3 of hoger worden volgens EN 1090 geen scherpe randen toegelaten. Scherpe randen dienen afgerond te worden met een straal van minstens 2 mm.
Thermisch verzinkt staal dient coatinggereed gemaakt te worden: zinkoxides mechanisch verwijderen, zinkspatten en verdikkingen mechanisch verwijderen. Tijdens het slijpen mogen geen vuurglinsters gezien worden want dat wijst erop dat men door de zinklaag zit. Meet na het coating gereed maken de resterende laagdikte van de zink en respecteer de norm.
Markeringen (bv. met alcoholstiften) moeten vóór de chemische of mechanische voorbehandeling verwijderd worden met een geschikt solvent. De inkt kan doorheen de coating bloeden zelfs al worden de stukken gestraald. Hetzelfde geldt voor stickers.
Gestraald (gewapperd) thermisch verzinkt staal zonder chemische conversielaag vertoont wisselende resultaten in de corrosietesten. Onze voorkeur gaat uit naar een chemische conversielaag (type chromatatie of chroomvrije evenwaardige alternatieven) ter berscherming van de zinklaag.
Voorbehandelen van de stukken voorafgaand aan het lakken gebeurt chemisch, eventueel voorafgegaan door het wapperen (licht aanstralen). Tijdens de voorbehandeling worden de objecten vetvrij gemaakt en worden alle verontreinigingen en oxides verwijderd.
Bij een chemische voorbehandeling wordt het ontvetten en beitsen gevolgd worden door een conversielaag. Deze verzekert de hechting van de coating en verhoogt de corrosieweerstand. Na de voorbehandeling moeten zo weinig mogelijk zouten achterblijven op het droge oppervlak.
Bij een chemische voorbehandeling dienen de stukken zo vervaardigd te zijn dat het water en de chemische producten gemakkelijk wegvloeien van de stukken. Bij dompelen is het dan ook belangrijk dat er zich geen luchtbellen kunnen vormen in holle ruimtes. Dit zal de kwaliteit van de voorbehandeling schaden.
Als chemische voorbehandeling gebruikt u vanaf C3 een zinkfosfatatie of chroomvrij alternatief op basis van zirkonium of silanen eventueel voorafgegaan door het licht aanstralen van de verzinkte stukken.
De laagdikte van de organische coating bedraagt nominaal 80 µm bij chemisch voorbehandelde stukken. Worden de stukken ook aangestraald, dan adviseren we een nominale laagdikte van minstens 100 µm om rekening te houden met de ruwheid van het oppervlak. De kleinste waarde van de laagdikte is niet minder dan 64 µm en maximale waarde niet meer dan 300 µm.
We verwijzen graag naar de Qualisteelcoat specificaties voor het lakken van dit systeem.
Hier beschrijven we hoe je de binnenkomende stukken, de omgevingsfactoren, het coatingproces en de afgewerkte objecten kunt controleren.
We verwijzen voor meer informatie over deze toepassing en applicatie naar de Praktijkrichtlijn "Poeder en natlak op Zink". Een initiatief van VOM vzw, Stichting ZINKINFO, Onderhoud NL, Vereniging-ION.